Nieuws

Pensioen Flits

Het pensioenlandschap is continu in beweging: de minister krijgt vragen of schrijft brieven; er worden rechterlijke uitspraken gedaan of er zijn andere interessante ontwikkelingen. We delen deze informatie voortaan graag met u in de Pensioen Flits.

Pensioen Flits Concordia de Keizer
Principe-akkoord nieuw pensioenstelsel

Er is een principe-akkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel. Of u wel of niet aangesloten bent bij een pensioenfonds; het nieuwe stelsel zal impact hebben op alle werkgevers en werknemers. Wij hebben de kernpunten voor u samengevat.

Nieuw stelsel hoog nodig

Door de crisis en de structureel lage marktrente is ons pensioenstelsel toch niet zo robuust gebleken. Al jaren worden de pensioenen niet aangepast aan de prijsstijgingen en ligt het verlagen van opgebouwde en ingegane pensioenen op de loer. In het huidige stelsel betalen de jongere voor de oudere deelnemers, omdat iedereen een gelijke doorsneepremie betaalt. Daarnaast stijgt de AOW-leeftijd snel naar een te hoge leeftijd voor met name zware beroepen.

Genoeg aanleiding voor het kabinet en de sociale partners om het stelsel te vernieuwen. Overigens laat de FNV haar leden nog stemmen over het akkoord middels een referendum. Een kleine groep – veelal oudere – leden van de FNV gaat stemmen over een pensioenakkoord dat 10 miljoen Nederlanders aangaat.

Pensioenfondsgebonden…of niet

In het pensioenakkoord wordt geen onderscheid gemaakt tussen werknemers die wel of niet pensioenfondsgebonden zijn. Zoals gebruikelijk wordt de nadruk gelegd op de pensioenfondsgebonden bedrijven, zoals de ambtenarij, bouw, zorg en metaalindustrie. Concordia de Keizer verleent diensten voor beide groepen en behandelt de impact van het nieuwe stelsel voor beide groepen.

45-jarige is de dupe

Bij pensioenfondsen wordt voor elke deelnemer dezelfde premie gevraagd en bouwt elke werknemer hiermee hetzelfde jaarlijkse pensioen op[1]. Het kabinet schaft deze zogenaamde doorsneepremie af. De premie blijft gelijk voor elke werknemer, waarbij de opbouw wordt afgestemd op de leeftijd. Jongere werknemers gaan veel meer pensioen opbouwen, oudere werknemers veel minder. Dit komt doordat de premie veel minder lang kan renderen tot de pensioendatum. De 45-jarige deelnemer lijkt hiervan het meest de dupe te worden. Hij heeft altijd veel premie betaald voor de financiering van de pensioenen van de ouderen en blijft nu dezelfde premie betalen, maar bouwt alleen maar minder op. De jonge werknemer spint garen bij de afschaffing. Zij gaan meer pensioen opbouwen met een gelijke premie. Voor de oudere deelnemer heeft de lage opbouw nadelige effecten. Zij hebben daarentegen het grootste gedeelte van het bereikbare pensioen reeds opgebouwd.

Jaarlijks wordt voor elke deelnemer bekeken hoeveel pensioen kan worden ingekocht voor de bijbehorende premie[2]. Deze systematiek wordt ook wel degressieve opbouw genoemd. Het lijkt logisch dat de benadeelde werknemers gecompenseerd moeten worden. De overheid wil hier een fiscaal gunstige oplossing voor bieden, maar de compensatie zal door iemand betaald moeten worden. Pensioen blijft namelijk een overeenkomst tussen werkgever en werknemer die niet zomaar eenzijdig gewijzigd kan worden.

Impact op verzekerde regelingen onzeker

Het pensioenakkoord beschrijft niet of deze systematiek ook verplicht wordt gesteld voor verzekerde regelingen[3]. Dit is wel ter sprake gekomen in de voorbesprekingen. Of je als werkgever nu een middelloonregeling hebt of een beschikbare premieregeling, in beide gevallen wordt er nu een leeftijdsafhankelijke premie gevraagd. Wordt deze straks verplicht leeftijdsonafhankelijk en gelijkgesteld voor iedere werknemer ongeacht de leeftijd? Wat ons betreft is het stelsel van verzekerde pensioenregelingen ‘gezond’ omdat de premie al (actuarieel) is afgestemd op de pensioenbouw.

Wie gaat compensatie ‘betalen’

Er zullen nog veel vraagtekens weggenomen moeten worden, met name bij de werkgevers die niet zijn aangesloten bij een pensioenfonds. Voor werkgevers met een pensioenregeling bij een pensioenfonds zal met name de uitkomst over het compensatievraagstuk bijzonder interessant zijn. Kabinet, werkgevers en werknemers draaien hiervoor op, aldus het principe-akkoord.  Eerder zijn de kosten voor compensatie geschat op 8 miljard. Werkgevers geven echter al jarenlang aan dat de rek uit de pensioenpremie is.

Gematigde stijging van de AOW-leeftijd

In 2019 is de AOW-leeftijd 66 jaar en 4 maanden. Dit zal volgens het akkoord zo blijven in 2020 en 2021. In 2022 stijgt de AOW-leeftijd naar 66 jaar en 7 maanden, in 2023 naar 66 jaar en 10 maanden. In 2024 wordt het alsnog 67 jaar[4]. Na 2024 stijgt de AOW met 8 maanden voor elk jaar dat we gemiddeld ouder worden.

Hiermee geeft het kabinet fors toe op de huidige wetgeving. De ontwikkeling van de AOW-leeftijd zal er als volgt uitzien:

Jaar       Huidig                               Principeakkoord

2019      66 jaar en 4 maanden      66 jaar en 4 maanden

2020      66 jaar en 8 maanden     66 jaar en 4 maanden

2021      67 jaar                               66 jaar en 4 maanden

2022      67 jaar en 3 maanden      66 jaar en 7 maanden

2023      67 jaar en 3 maanden      66 jaar en 10 maanden

2024      67 jaar en 3 maanden      67 jaar

Geschatte AOW-leeftijd jongere werknemers

Het akkoord bevat geen weergave van de AOW-leeftijd voor jongere werknemers. Gebaseerd op de levensverwachting hebben we hieronder de geschatte AOW-leeftijd van drie werknemers weergegeven.

Voorbeeld    Huidig                        Principeakkoord

30-jarige      71 en 3 maanden      69 jaar en 6 maanden

40-jarige      70 jaar                       68 jaar en 8 maanden

50-jarige      68 en 9 maanden     67 jaar en 10 maanden

Vervroegde uittreding

Sinds 2006[5] is het niet meer toegestaan pensioen op te bouwen om werknemers eerder te laten stoppen met werken. Ook ontslagvergoedingen die ervoor kunnen zorgen dat een werknemer eerder met pensioen kan, worden, middels een soort boete, zwaar belast door de Belastingdienst.

Het kabinet wil deze boeteregeling versoepelen en zal een (bruto) uitkeringsbedrag van ongeveer 19.000 euro per volledig jaar vrijstellen van deze boete[6]. De uitkering mag maximaal in de 3 jaren voor de AOW-leeftijd worden verstrekt. Wordt de uitkering in een kortere periode voor de AOW-leeftijd verstrekt, dan geldt hetzelfde maximale jaarbedrag[7].

Ook deze regeling sluit weer aan op het gezond bereiken van de pensioenleeftijd en het duurzaam inzetbaar houden van werknemers.

Gezond werkend naar je pensioen

Naast de hervorming van de tweede pijler hebben kabinet en sociale partners afspraken gemaakt die ervoor moeten zorgen dat werkenden in Nederland gezond de eindstreep kunnen halen.

Werknemers kunnen in plaats van 50 weken fiscaal gefaciliteerd verlof, 100 weken verlof opsparen. Met name werknemers die zwaarder werk verrichten hebben op deze manier toch een vehikel om eerder te stoppen met werken of om meer verlof op te nemen.

Er zal een onderzoek worden verricht om te bezien of werknemers met 45 dienstjaren kunnen stoppen met werken. Een en ander moet administratief uitvoerbaar en te koppelen zijn met de AOW-uitkering.

Het kabinet stelt een fonds van 800 miljoen euro beschikbaar voor dit onderwerp.

Communicatie aan de deelnemers

Als rode draad door het akkoord wordt verwezen naar de handelingsbekwaamheid van de deelnemer. Pensioenopbouw wordt straks meer afgestemd op de leeftijd en persoonlijke omstandigheden van de deelnemer. Mede omdat werknemers straks drie scenario’s te zien krijgen (zie onze ‘Pensioen Flits’ van 28 mei 2019), dienen individuele keuzes afgestemd te worden op de wensen en behoeftes van de deelnemer.

Het kabinet onderzoekt nog of de deelnemers de mogelijkheid krijgen maximaal 10% van het pensioenkapitaal te gebruiken voor aflossing van de hypotheek of (onze visie) in te zetten voor zorggerelateerde zaken.

Zelfstandigen, de ZZP-er

Op het gebied van pensioenopbouw wordt geen verplichtstelling opgelegd voor deze groep. Wel adviseert de SER om gezamenlijk met zelfstandigenorganisaties in sectoren te onderzoeken hoe zij mogelijkheden, zoals auto-enrollment, variabele inleg en/of een verplichtstelling voor pensioenopbouw, kunnen realiseren. Het kabinet heeft 100 miljoen gereserveerd om deze stappen te ondersteunen.

Er komt een wettelijke verzekeringsplicht voor zelfstandigen tegen het arbeidsongeschiktheidsrisico. Het doel van deze verzekeringsplicht is om naast de bestaande werknemersverzekering ook andere werkenden te beschermen tegen de gevolgen van arbeidsongeschiktheid en te borgen dat iedereen zich kan verzekeren. Tevens wordt voorkomen dat de kosten van arbeidsongeschiktheid van een ZZP-er worden afgewenteld op de samenleving.

Hat kabinet heeft de sociale partners verzocht om begin 2020 een voorstel uit te werken.

Wat vindt Concordia de Keizer

Een belangrijk en misschien onderbelicht aspect is dat het kabinet de huidige regels voor het korten van pensioenen versoepelt. Pensioenfondsen hoeven de opgebouwde en ingegane pensioenen niet te verlagen als de dekkingsgraad hoger is dan 100%. Hiermee bereikt Koolmees dat de overgang naar een nieuw stelsel in alle rust plaats kan vinden, zonder dat grote pensioenfondsen direct moeten korten. Indien de dekkingsgraad van een pensioenfonds onder de 100% blijft op een afgesproken datum, dan wordt er overigens alsnog onvoorwaardelijk gekort.

Het is goed dat het pensioenstelsel wordt vernieuwd. De bestendigheid bij tegenslag wordt verbeterd, het collectieve, solidaire, karakter van een (nominaal) pensioen wordt meer geïndividualiseerd. Wat ons betreft sluit dit beter aan bij de huidige maatschappelijke ontwikkelingen. Werknemers (deelnemers) krijgen meer inzicht in het persoonlijke pensioen waardoor ze handelingsbekwaam worden gemaakt naar de toekomst. Als, zoals ook het kabinet schetst, de communicatie maar klopt. Werknemers begrijpen nu al niet waar het over gaat, dit wordt verder versterkt door de hervorming van het stelsel.

De overgang naar het nieuwe stelsel zal de nodige hobbels bevatten. Wat te doen met de reeds opgebouwde pensioenaanspraken? Hoe wordt de compensatie bepaald en wie draait hiervoor op? Kunnen alle ZZP-ers wel voldoen aan de verzekeringsplicht en in hoeverre is pensioenopbouw niet net zo belangrijk voor hen?

Het plan bevat ook bepaalde bepalingen die insinueren dat de aanpassingen gelden voor alle pensioenovereenkomsten, dus ook die van de niet-gebonden werkgevers (de zogenaamde verzekerde regelingen). Als het zo bedoeld is, zal dit een bijzonder complexe situatie opleveren. Het lijkt ons daarom onwaarschijnlijk dat de aanpassingen in de opgenomen vorm ook verplicht voor deze groep worden doorgevoerd.

Daarnaast is duurzame inzetbaarheid, het gezond behalen van de pensioenleeftijd, een belangrijk item voor het kabinet en de sociale partners. Op tijd investeren in duurzame inzetbaarheid maakt mensen wendbaarder en weerbaarder. Het voorkomt dat zij hun baan verliezen door veroudering van vaardigheden of doordat zij het werk niet meer aankunnen. En het maakt het mogelijk tijdig te anticiperen op veranderingen in de aard en inhoud van het werk. Wij spelen hier al lange tijd op in met onze Preventis dienstverlening. De unieke combinatie tussen pensioen en duurzame inzetbaarheid blijkt succesvol, ook in de onderhandelingen voor nieuwe cao’s.

Al bij al impactvolle wijzigingen op komst die nog wel een paar jaar op zich laten wachten. Voor werkgever en werknemer een mooi moment om het pakket arbeidsvoorwaarden onder de loep te nemen, zowel op inzetbaarheid als ouderdom.

Meer informatie

Wilt u weten hoe wij u van dienst kunnen zijn? Wij gaan graag het gesprek met u aan.

Op de hoogte blijven?

Altijd op de hoogte blijven van de risico's in uw sector? Meld u aan voor onze nieuwsbrief.

 

Noten

[1] Pensioenopbouw is uiteraard afhankelijk van het salaris van een deelnemer. De procentuele opbouw als percentage van de pensioengrondslag is gelijk.

[2] Dit wordt bepaald aan de hand van de omstandigheden van het jaar (marktrente, levensverwachting, etc.).

[3] Hiermee bedoelen we de werkgevers die niet zijn aangesloten bij een pensioenfonds. Hieronder vallen ook werkgevers die de pensioenen laten uitvoeren door een Premie Pensioen Instelling (PPI) of een Algemeen Pensioenfonds (APF).

[4] De kosten voor deze vertraagde verhoging bedragen 5 miljard euro van 2020 tot en met 2025

[5] Op basis van de Wet VPL (Vut, Prépensioen en levensloop)

[6] Pseudo-eindheffing op regelingen voor vervroegde uittreding (RVU-heffing)

[7] De kosten voor deze regeling bedragen naar verwachting 225 miljoen euro.


Accountdirector Pensioen


lees meer >

Top